Preoperatief werd via laterale benadering een osteotomie van de grote trochanter uitgevoerd om toegang te verkrijgen tot het acetabulaire gebied. Het midden fragment (caudaal ileum- craniaal acetabulum) was volledig mediaal verplaatst. Reductie bleek niet mogelijk in aanwezigheid van de femurkop, die bovendien duidelijk beschadigd was. Er werd daarom beslist tot een femorale kop- en halsresectie (FHO).
De bekkenvleugel kon wel anatomisch hersteld worden en werd gefixeerd met een 2,7 mm 6-gaten plaat craniaal en een 5-gaten plaat caudaal. De trochanter werd gerepositioneerd en gefixeerd met Kirschnerpinnen en cerclage. Het initiële postoperatieve herstel verliep gunstig.
![]() |
![]() |
![]() |
Ontwikkeling van Chronische Klachten #
Zes weken later werd een controle uitgevoerd wegens loslating van de trochanterpinnen. Radiografisch waren de bekkenplaten stabiel en goed gepositioneerd, met goede callusvorming ter hoogte van de trochanter. Er werd osteolyse rond de pinnen vastgesteld, waarna deze samen met de cerclage verwijderd werden.
In 2023 ontwikkelde patiënte een klinisch beeld passend bij osteomyelitis ter hoogte van het linker bekken, met lokale zwelling en fistelvorming. Er trad klinische verbetering op onder clindamycine, maar reeds toen werd geadviseerd om geavanceerde beeldvorming (CT) en implantaatverwijdering te overwegen. De eigenaar verkoos op dat moment een conservatieve aanpak.
In de daaropvolgende twee jaar presenteerde de hond zich met intermitterende episodes van etterige fistelvorming links caudaal ter hoogte van het bekken. De klachten gingen telkens gepaard met verergerd manken en overmatig likken aan de wonde. Onder antibiotica trad steeds tijdelijke verbetering op, maar recidief volgde enkele weken tot maanden na stopzetting.
Diagnostische Beeldvorming en Bevindingen #
Bij presentatie in november 2025 was het algemeen klinisch onderzoek grotendeels onopvallend (alert, BCS 5/9, normotherm). Orthopedisch viel een uitgesproken spieratrofie van de linkerachterpoot op met pijn bij manipulatie, zonder duidelijke gewrichtsopzetting. De linker inguinale lymfeknoop was vergroot. Hematologie en biochemie vertoonden geen significante afwijkingen, wat het chronisch karakter van de aandoening benadrukte.
Een CT-fistulogram toonde meerdere onderling verbonden fistelgangen vanaf de perianale regio richting het caudale bekken, met een cavitatie in de weke delen caudaal van het os ischium. Vanuit deze cavitatie liep een fistelgang cranioventrolateraal tot aan de caudale osteosyntheseplaat. Er was partiële osteolyse van de linker bekkenhelft, partiële collaps van het os ischiadicum en duidelijke ankylose tussen het proximale femur en het acetabulum (status na FHO), alsook tussen ilium en sacrum. De craniale plaat was deels overgroeid met callus. Het geheel was consistent met chronische implantaat-geassocieerde osteomyelitis.
Chirurgische Interventie en Conclusie #
In januari 2026 werd beslist tot chirurgische revisie met volledige implantaatverwijdering. Peroperatief werd een uitgesproken fibrose en weefselvergroeiing vastgesteld, wat de dissectie technisch uitdagend maakte, in het bijzonder ter hoogte van de n. ischiadicus. Zowel de caudale als de craniale plaat werden verwijderd; bij de craniale plaat diende een overgroeid botfragment eerst losgeprepareerd te worden. Schroeven en een swab werden ingestuurd voor bacteriologisch onderzoek. De wonde werd uitgebreid gespoeld en gelaagd gesloten. Postoperatief werd cefazoline toegediend in afwachting van de kweekresultaten.
![]() |
Deze casus illustreert hoe chronische fistelvorming in aanwezigheid van osteosynthesemateriaal als implantaat-geassocieerde infectie beschouwd moet worden tot het tegendeel bewezen is. Zelfs wanneer bloedonderzoek geen afwijkingen toont. Suppressieve antibioticatherapie kan langdurig klinische controle geven, maar leidt zelden tot definitieve genezing zolang het implantaat aanwezig blijft.
Bovendien toont deze casus het belang van tijdige geavanceerde beeldvorming om de uitgebreidheid van fistelgangen en botdestructie correct in kaart te brengen en de chirurgische planning te optimaliseren.



